Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons Cookie beleid

Accepteer cookies

Waterbeheer in algemeen


Algemene informatie 

Inhoud

- Vis en zuurstof
- Waterbemonstering
- Hengelvangstregistratie
- Inventarisatie van waterplanten
- Inventarisatie van waterdiertjes


Als visrechthebbende is een hengelsportvereniging verantwoordelijk voor het beheer van de visstand, zij dient te zorgen voor een doelmatige bevissing. Onder doelmatige bevissing verstaat men dat er op een duurzame manier met de visstand wordt omgegaan. Het doodvissen van een water is dus niet doelmatig en dat kost de visrechthebbende zijn visrechten. Vanzelfsprekend stemt een hengelsportvereniging het beheer van het water af op de wensen van haar leden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de ecologische mogelijkheden en natuurwaarden. Men spreekt dan van integraal viswaterbeheer.


De mogelijkheden van een hengelsportvereniging die het visrecht huurt zijn echter beperkt:
  • Er kunnen vergunningvoorwaarden worden gesteld.
  • Men kan vissen redden indien er gevaar dreigt.
  • Men kan poot/kweekvis uitzetten.
  • Een overschot aan bepaalde vissen kan men wegvangen met een sleepnet/zegen en afvoeren.
  • Om de visstand en het watermilieu te beoordelen, kan er een kort advies of een visserijkundig onderzoek worden gedaan.

ALLEREERST MOET JE NATUURLIJK WETEN WELKE VISWATEREN JE HEBT EN HOE GROOT ZE ZIJN

De visie van de hengelsportvereniging ten aanzien van de visstand legt men vast in een beheerplan.

De mogelijkheden voor de visstand zijn voor het grootste deel afhankelijk van milieuomstandigheden zoals de
waterkwaliteit, de inrichting van het viswater, begroeiing en het voedselaanbod. En dat alles heeft de
hengelsportvereniging natuurlijk niet in de hand. De waterkwaliteit wordt vaak negatief beïnvloedt door de aanwezigheid van een dikke baggerlaag (achterstallig onderhoud) of door lozing van vervuild water.
Ook in een stedelijke omgeving treden vuilwaterlozingen op wanneer tijdens een zware onweersbui de riolen via een nooduitlaat hun overtollige water in de sierwateren storten. Soms zijn de sierwateren omgeven door struiken en hoge bomen wat in de herfst een grote hoeveelheid rottend blad in het water oplevert met als gevolg een snel aangroeiende baggerlaag. Tijdens de eerste de beste vorstperiode zal dan al een vissterfte op kunnen treden omdat de rottende baggerlaag alle zuurstof die onder het ijs zit opgebruikt en de vissen stikken. Dit soort vissterfte noemt men een wintersterfte. In een extreem geval kunnen er zoveel bomen om het water staan dat een groot deel van het water in de schaduw ligt. In dat geval is het water wel glashelder maar geldt tevens de stelregel: GEEN LICHT > GEEN LEVEN.

Om iets zinnigs over het water en de levenskansen voor vis te kunnen zeggen, moet de vereniging dus inzicht
hebben in het watermilieu. Hiertoe vinden inventarisaties plaats die door de Commissie Water- en
Visstandbeheer van de vereniging worden uitgevoerd.

Deze inventarisaties zijn:
  • Maandelijkse bemonstering op het zuurstofgehalte.
  • Uitgebreide waterbemonstering of kwartaalbemonstering.
  • Inventarisatie van waterplanten en waterdiertjes.

VIS EN ZUURSTOF
Zonder zuurstof geen vissenleven. Vissen hebben, net als landdieren, voldoende zuurstof nodig. De hoeveelheid (opgeloste) zuurstof is in water echter steeds lager dan in de lucht. daarom hebben vissen een
efficiënt en effectief ademhalingsapparaat, de kieuwen. waterplanten en algen zijn in stilstaand en langzaamstromend water, onder invloed van het zonlicht, de grootste leveranciers van zuurstof in het water (fotosynthese). In snelstromend water leveren de sterke stroming en turbulentie (beluchting) de grootste bijdrage.

Vis en laag zuurstofgehalte:
Vissen kunnen een kortdurend laag zuurstofgehalte van het water doorgaans goed opvangen, onder meer door sterkere kieuwbewegingen te maken. Sommige karperachtige nemen dan soms zuurstof op door water
aan het oppervlak of direct lucht te happen. Er zijn vissoorten die zuurstof kunnen opnemen via het spijsverteringskanaal of via de huid (bijvoorbeeld de grote modderkruiper). Een klein aantal soorten,
waaronder de kruiskroeskarper, kan indien nodig na een periode van gewenning bovendien overschakelen op zuurstofloze stofwisseling.


WATERBEMONSTERING
Het leven onder water is gebaat bij een goede waterkwaliteit. De belangrijkste parameter is het zuurstofgehalte.Optimaal is een gehalte tussen de 8 en 12 mg/liter. Als het zuurstofgehalte lager is dan 2,0 mg/liter zal er sterfte optreden. De zuurstofbehoefte verschilt per vissoort. Hierbij gaan de grootste vissen als eerste dood omdat die in verhouding met hun lichaamsgewicht minder kieuwoppervlak hebben.
Ook viseitjes en visbroed zijn erg gevoelig voor een laag zuurstofgehalte. De ene vissoort is gevoeliger voor het zuurstofgehalte dan de andere. De snoekbaars gaat dood bij een zuurstofgehalte van 3,5 mg/liter terwijl de zeelt het het langste uithoudt. Zeelten kunnen het dikwijls overleven in wateren waar andere vissoorten door zuurstofgebrek sterven. De zeelt kan tijdens een hittegolf en ook wanneer het water kouder wordt dan 4°C in een soort slaaptoestand raken waarin hij nauwelijks zuurstof gebruikt. Helaas beschikken andere vissen niet over zo'n overlevingstactiek. Soorten die kenmerkend zijn voor ondiepe, waterplantenrijke wateren, zoals de ruisvoorn, zijn vaak goed opgewassen tegen de extreme uitschieters in het zuurstofgehalte die juist daar optreden. Soorten die thuishoren in stromend water, dat doorgaans relatief koud en verzadigd is met zuurstof, zijn juist erg gevoelig voor lage zuurstofgehalten. Een voorbeeld is de beekforel.


WINTERSTERFTE DOOR ZUURSTOFGEBREK
Om inzicht op de overlevingskansen van vissen te krijgen, bemonsteren hengelsportverenigingen sinds de jaren zeventig hun viswater maandelijks op het zuurstofgehalte. Uit het verloop van het zuurstofgehalte blijkt duidelijk of het zinvol is om pootvis in het betreffende water uit te zetten. Naarmate de watertemperatuur hoger wordt kan er minder zuurstof in het water oplossen. Daarom beoordeelt men de waterkwaliteit op basis van de zuurstofverzadiging. De verzadiging is de verhouding tussen het gemeten zuurstofgehalte en het gehalte dat, bij de betreffende watertemperatuur, maximaal in het water opgelost kan zijn. In gezond viswater ligt het verzadigingspercentage tussen 80% en 120%. Hengelsport De Reiger voerde regelmatig maandelijkse waterbemonstering uit. Door het ontbreken van vrijwilligers, hoewl dit erg belangrijk is, gebeurt het op dit moment niet.


HENGELVANGSTREGISTRATIE
Hengelvangstregistratie is vooral zinvol om te kijken welke vissoorten er in een water voorkomen. Vissen zijn een belangrijke indicator van het watermilieu en hun aan- of afwezigheid zegt veel over het ecosysteem.
Met name de kleine vissoorten, die niet of nauwelijks met de hengel zijn te vangen, zijn hiervoor van belang.

INVENTARISATIE VAN WATERPLANTEN

Waterplanten zijn van belang voor de vissen omdat:
1. Ondergedoken planten zuurstof aan het water afgeven en vervuiling opnemen.
2. De meeste vissen hun eitjes op waterplanten afzetten.
3. De jonge visjes zich in de waterplanten kunnen verschuilen tegen hun vijanden.
4. Waterplanten onderdak bieden aan waterdiertjes waarvan de vissen leven.

Vissoorten zoals ruisvoorn, zeelt en snoek kunnen zich zonder waterplanten niet handhaven!

Het gedoornd hoornblad (Cerathophyllum demersum )

   
              

Vollediger dan welke andere plant ook is hoornblad aangepast aan het leven onder water. Deze plant bloeit zelfs onder water! Wortels ontbreken. De stengel zweeft los in het water en is al of niet door omlaag groeiende zijstengels in de bodem verankerd. Laat in het jaar vormen zich gedrongen zijstengels met dicht opeen staande bladeren. Deze spruiten zijn de winterknoppen die naar de bodem zinken en daar overwinteren. Ze groeien in betrekkelijk kleine wateren zoals sloten en poelen. Vergeleken met de meeste andere waterplanten is het hoornblad een uitgesproken schaduwplant: directe bestraling door de zon verdraagt het niet. In overmatig voedselrijke of anderszins gestoorde omstandigheden vermeerdert het hoornblad zich soms explosief. Met een tamelijk geringe hoeveelheid licht groeien deze planten snel en assimileren daarbij veel kooldioxide , dat ze uit het carbonaat in het water halen. Het water wordt daardoor basischer en de calcium- en magnesiumzouten slaan neer op de planten die daardoor met een kalkachtige korst worden bedekt. In de fijne bladeren wordt ook veel zweefvuil vast gehouden. De zuurstof en de beschutting die het hoornblad biedt komen ten goede aan het broed van vissen en andere waterdieren. Ook met het opnemen van het voor veel organismen schadelijke ammoniak uit het water is het gunstig voor de waterfauna. Het is dus een ideale plant voor in uw tuinvijvertje: maar pas op voor te veel hoornblad want dan kan het zuurstofgehalte 's-nachts kelderen en zit u in de vroege ochtend toch met dode vis. Gedoornd hoornblad is een kosmopoliet en past dus ook in een tropisch aquarium.


INVENTARISATIE VAN WATERDIERTJES
Waterdiertjes of macrofauna vormen het voedsel van de vissen. In stadswateren zonder plantengroei is het
vaak droevig gesteld met de aanwezigheid van de wat grotere waterdiertjes zoals poelslakken en rugzwemmers. Met als gevolg dat de vissen klein van formaat blijven en in slechte conditie zijn. In dat soort wateren moeten de vissen het vooral van watervlooien en muggenlarven hebben.

De poelslak


De rugzwemmer of bootsmannetje


De larve van de eendagsvlieg


De zwanenmossel


De watervlo


De rode muggenlarve


MEER INFORMATIE OVER WATER VINDT U BIJ STOWA & H2O .